Het artikel kondigt aan dat minister Demir het aantal momenten zonder les inperkt om leerlingen “meer effectief” les te laten volgen. Concreet: in het basisonderwijs blijven maximaal 3 halve pedagogische studiedagen over (met verplichte opvang), in het secundair worden pedagogische studiedagen afgeschaft. Daarnaast verdwijnen facultatieve vakantiedagen in beide niveaus. Ook worden eerste/laatste schooldag in het basisonderwijs weer volledige lesdagen, en moet de periode tussen laatste examen en vakantie efficiënter worden ingevuld. Wanneer lessen niet doorgaan, wordt opvang verplicht en die moet “pedagogisch zinvol” zijn, al mogen scholen zelf bepalen wat dat precies betekent. Tot slot worden klassenraden “slanker”: niet alle leerkrachten moeten nog standaard aanwezig zijn.
De argumentatie steunt vooral op één centrale claim: door “versnipperde vrije dagen” zouden Vlaamse secundaire leerlingen 11% minder les krijgen dan het OESO-gemiddelde, wat neerkomt op tot 22 lesdagen per schooljaar. De maatregelen zouden volgens de minister niet raken aan de 12 weken vakantie, maar enkel schooldagen “beter benutten”. Inwerkingtreding: 1 september 2026, met nog overleg met vakbonden.
Terechte opmerkingen
- Het benoemt een herkenbaar probleem: onvoorspelbaarheid voor ouders en leerlingen wanneer lessen wegvallen of dagen “half” worden.
- Het maakt de kernmaatregelen redelijk concreet en geeft op het einde een overzichtelijke lijst.
Bijzonderheden in het artikel
- Het uitgangspunt “meer lesdagen = beter onderwijs” blijft impliciet. Het artikel presenteert meer “effectieve lestijd” als vanzelfsprekend positief, maar werkt niet uit waarom dat automatisch tot betere leerwinst leidt, noch welke kwaliteitseisen daarbij horen.
- De OESO-vergelijking wordt niet gecontroleerbaar gemaakt. “11% minder” en “tot 22 lesdagen” zijn stevige cijfers, maar het stuk geeft geen context: over welke definitie van “les” gaat het, welke jaren/onderwijsvormen, en welke componenten tellen mee? Zonder die context voelt het eerder als beleidsmunitie dan als analyse.
- De ‘zinvolle opvang’ is een sleutelwoord zonder inhoud. Scholen moeten opvang voorzien en het moet “pedagogisch zinvol” zijn, maar de betekenis wordt expliciet doorgeschoven naar scholen. Dat creëert een risico op grote verschillen tussen scholen én op “opvang” die in de praktijk toch vooral toezicht is—zeker bij lerarentekort.
- Werkbaarheid en middelen blijven buiten beeld. Verplichte opvang, minder studiedagen, reorganisatie rond evaluaties en klassenraden: dat zijn allemaal ingrepen die extra planning vragen. Het artikel vermeldt geen inschatting van personeelsimpact, financiering, of hoe dit praktisch werkt als er al gaten in roosters en vervangingen zijn.
- Tegenstemmen ontbreken vrijwel volledig. Er staat dat overleg met vakbonden nog moet volgen, maar het artikel brengt geen inhoudelijke reactie of zorgen van vakbonden, directies of pedagogische experts. Daardoor leest het meer als een beleidsbericht dan als journalistiek “wegen”.
Conclusie
Het stuk schetst een duidelijke beleidsrichting: minder lesvrije uitzonderingen, meer voorspelbaarheid, opvangplicht. Maar de kritische vragen—kwaliteit vs. kwantiteit, definities van de cijfers, haalbaarheid en ongelijkheid tussen scholen—blijven grotendeels onbesproken. Bovendien lijkt dit pakket maatregelen, hoe logisch het op papier ook klinkt, in de praktijk extra druk en organisatie bij scholen te leggen (opvang, herplanning, toezicht, evaluatieorganisatie). Dat is precies het soort belasting dat het werk minder aantrekkelijk maakt en dus nefast kan zijn voor het al grote lerarentekort: je krijgt mogelijk “meer schooldagen gevuld”, maar met minder handen om ze kwaliteitsvol te dragen.